
De dichter Erich Fried, joods, in Wenen geboren en op zijn zeventiende voor de nazi’s gevlucht naar London, schreef over een denkbeeldige ontmoeting met een kennis die tijdens de nazi-heerschappij in Oostenrijk was gebleven. Of die kennis dingen had gedaan waar hij spijt van heeft? Het antwoord is nee. Dan vraagt hij of die kennis spijt had van dingen die hij niet had gedaan. Nu is het antwoord ja. Of er mensen waren gestorven vanwege de dingen die hij niet had gedaan? De kennis vreest van wel en vraagt vervolgens: wat had jij in mijn plaats gedaan? Fried antwoordt: dat weet ik niet en ik kan over jou niet oordelen. Maar één ding weet ik zeker: Als we nu weer niets doen, zullen we straks geen van beiden overleven.
Erich Fried was generatiegenoot van mijn ouders. Hun verhalen en die van mijn grootouders maakten dat ik de verschrikkingen van het fascisme en de oorlog van toen uit eerste hand kende. Ze zijn voor mensen van mijn generatie nog wat dichterbij dan voor de volgende generaties. Bovendien zijn wij, ben ik, opgegroeid in een tijd waarin we dachten dat dit nooit meer zou kunnen gebeuren. Wij waren wars van autoriteit, eigenzinnig, overwegend links en pacifistisch. Nederland gold als tolerant en progressief land, waar mensen die elders vanwege hun politieke overtuiging vervolgd werden, welkom waren. Niemand kon denken dat enkele decennia later extreemrechtse partijen met een onverhuld racistische boodschap succes zouden hebben bij verkiezingen.


Comments